Spring naar inhoud

Hoe betalen we onze bijdragen?

Plannen

Het blijven uitdagende tijden. In de Nationale Prestatieafspraken (NPA), gemaakt tussen minister Hugo de Jonge, Aedes, de Woonbond en de VNG, is afgesproken dat corporaties tot en met 2030 meer nieuwe woningen bouwen, sneller verduurzamen, de huurprijs matigen en extra investeren in leefbaarheid en onderhoud. Portaal onderschrijft deze doelen. We realiseren ons dat deze ambitie nodig is om vooruit te komen. Tegelijkertijd zorgt het ervoor dat corporaties, waaronder Portaal, onder druk blijven staan. Voor ons betekent dit concreet de volgende plannen:

  • We voeren de nieuwbouwproductie op en bouwen de komende 10 jaar gemiddeld 1.000 woningen per jaar om bij te dragen aan het oplossen van de wooncrisis. We bouwen daarbij ook voor middeninkomens. Dit is een flinke ambitie voor onze organisatie en voor alle betrokken partijen in het bouwproces.

  • We willen eens in de 40 jaar onze woningen verbeteren en verduurzamen. Het jaarlijks verbeteren van circa 1.800 woningen per jaar is een flinke opgave. Het is echter niet alleen een kwaliteitsslag. Het is ook nodig om stappen te blijven maken in het verduurzamen van het vastgoed en het verlagen van de energielasten voor onze huurders.

  • We versnellen de verduurzaming van de E-, F-, en G-labels en verduurzamen gemiddeld 500 woningen per jaar tot en met 2028.

  • Ook op het vlak van betaalbaarheid ligt er een grote opgave. Hier werken we al jaren aan, door bijvoorbeeld passend toewijzen en ons huurbeleid. Elke huurverhoging, al lijkt het soms maar een paar euro, is voor een steeds groter deel van onze huurders niet meer op te brengen. Ook omdat kosten van levensonderhoud blijven stijgen. In 2023 hebben we de huur voor onze huurders (met een inkomen onder 120 procent van het minimuminkomen en netto huur van meer dan 575,03 euro) verlaagd. Bij woningen met een laag energielabel (E t/m G) alsmede energielabel D voor huurders met lagere inkomens hebben we géén huurverhoging toegepast. Dit heeft wel een groot effect. We hebben - op jaarbasis - een inkomstenderving van circa 13,5 miljoen euro (ongeveer 11 miljoen euro door huurverlaging en 2,5 miljoen euro door gemiste huurverhoging over deze woningen).Voor de overige huurders hebben we een beperkte huurverhoging doorgevoerd (maximaal toegestaan 2,6 procent). We zetten in op maatwerk, echter is dit vanuit wetgeving vaak niet mogelijk.

We willen graag versnellen als er locaties, personeel, materiaal, ambtelijke capaciteit en voldoende financiële middelen beschikbaar zijn. Er zit een uitdaging in de hele keten, van plan tot uitvoering.

6.1 Sturen op kasstromen

Ons huishoudboekje geeft dagelijks inzicht in onze inkomsten en uitgaven. Financieel gezien weten we hoe ver we kunnen gaan (we kennen onze grenzen). Het in evenwicht houden van de inkomsten en uitgaven noemen we ook wel ons Duurzaam Prestatie Model (DPM). Het vertrekpunt is dat we financieel gezond zijn en blijven om nu en in de toekomst te blijven bijdragen aan goed samenleven.

De afgelopen jaren was ons huishoudboekje niet sluitend. En we verwachten ook in de komende jaren structurele tekorten in ons huishoudboekje. Dit komt door:

  • forse prijsstijgingen door duurdere grondstoffen, krapte op de arbeidsmarkt en duurdere installaties om de energietransitie mogelijk te maken
  • de rentestijging (van minder dan 1 procent voor 2022 naar 4 procent)
  • de extra uitgaven aan onderhoud en renovaties
  • de vennootschapsbelasting: we betalen steeds meer belasting door de stijgende vennootschapsbelasting. De invoering van de ATAD is hierin de grootste post en maakt dat de belastingen langjarig fors stijgen.

We blijven in de begrotingsperiode 2024-2033 een structureel tekort houden van gemiddeld 23 miljoen euro op de exploitatie van ons vastgoed. Ter illustratie: daardoor komen we gemiddeld 36 euro per woning per maand tekort om duurzaam financieel gezond te blijven. Het DPM is het centrale uitgangspunt bij het financiële beleid en betekent dat wij de instandhouding van onze woningvoorraad (inclusief renovaties) willen financieren uit de operationele kasstroom.

We zijn trots op het aantal opgeleverde nieuwbouw- en renovatiewoningen in 2023. De realisatiekracht van onze investeringskasstroom (nieuwbouw, aankoop grond en renovatie) in 2023 bedraagt 182 miljoen euro (222 miljoen euro begroot). Onze toekomstige ambitie is hoog en we investeren maximaal door ons investeringsvolume te verhogen naar netto 369 miljoen per jaar vanaf 2025. Dit zijn goede ontwikkelingen voor het terugdringen van het woningtekort. Maar door de gestegen rente en bouwkostenontwikkeling levert nieuwbouw niet langer zomaar een positief effect op onze exploitatie. We moeten daarom kritisch zijn op wat we wel en niet doen.

Opbrengsten uit niet-DAEB dragen nog altijd bij aan het bedienen van middeninkomens en aan onze financiën. We zetten daarom in een aantal gemeenten actief in op het toevoegen van vrije sector huurwoningen in het middensegment.

We houden onze woningen betaalbaar en investeren in de verduurzaming van ons vastgoed. Daar waar locaties voorhanden zijn kunnen we, ondanks de stijgende bouwkosten, nieuwbouw plegen. Waar onze inzet op nieuwbouw afhankelijk is van (beperkte) verkoop, financiering en opbrengsten niet-DAEB, is onze inzet op kwaliteit/duurzaamheid/instandhouding afhankelijk van de huurinkomsten. Daarnaast denken we door de huur passend te laten zijn bij het inkomen de lasten beter te kunnen verdelen.

De afgelopen jaren hebben we de verhuurderheffing voor een groot deel kunnen opvangen door een steeds verdere efficiencyslag te maken in onze interne organisatie. Dit blijkt uit de A op bedrijfslasten die we ook in 2023 weer behaalden in de Aedes Benchmark. De belastingdruk voor corporaties blijft echter, ook met het vervallen van de verhuurderheffing, onevenredig hoog. De betaalbaarheid en de beschikbaarheid van de sociale woningvoorraad blijven onder hoogspanning staan.

6.2 Beoordelingskader en financiële continuïteit

De operationele kasstroom staat al langere tijd onder druk. Daarom hanteren we het Duurzaam Prestatie Model (DPM) als het centrale uitgangspunt bij het financiële beleid. Door te sturen op het DPM zorgen we ervoor dat er langjarig evenveel euro's binnenkomen als dat eruit gaan. Dat betekent dat we de instandhouding van onze woningvoorraad (inclusief renovaties) willen financieren uit de operationele kasstroom. Hierdoor zijn we minder afhankelijk van externe factoren en is de financiële continuïteit gewaarborgd.

In 2023 hebben we laten zien dat we, ondanks een tekort in de exploitatie, ons vermogen maximaal inzetten om maatschappelijke prestaties te realiseren. Dit doen we vanuit een gecontroleerd en robuust raamwerk van financiële beheersing. Over 2023 is ons DPM saldo 54 miljoen euro negatief (begroot 2023 -/- 69 miljoen euro). Het verwachte tekort voor 2023 was -/- 69 miljoen euro. Door het doorschuiven van renovaties en planmatig onderhoud is het tekort lager geworden. Deze kosten vallen nu in latere jaren.

Een tekort op het DPM betekent dat we dit extern moeten financieren. Het WSW heeft een maximale financieringsgrens van 3,5 miljard euro per corporatie ingesteld. Extra lenen voor tekorten op de operatie betekent ook eerder deze grens bereiken. Daarmee hebben we minder middelen beschikbaar om in te zetten voor nieuwbouw. Het sturen op kasstromen is daarom erg belangrijk. Periodiek bewaken we de afstand tot het borgingsplafond van 3,5 miljard euro en de benodigde maatregelen.

Externe en intern beoordelingskader

Naast ons eigen financiële beleid hebben we te maken met de toezichthouder op de sector. Hierbij wordt gekeken of we langjarig aan onze renteverplichtingen kunnen voldoen en of er voldoende zekerheden (onderpand) zijn gesteld ten opzichte van de geborgde financiering. Onze toezichthouder, de Autoriteit woningcorporaties (Aw), beoordeelt onze financiële positie aan de hand van vier kengetallen:

  1. de rentedekkingsgraad (ICR)
  2. de loan-to-value (LTV) op beleidswaarde
  3. de solvabiliteit op beleidswaarde
  4. de dekkingsgraad op marktwaarde

De ICR is een maat voor het betalen van de rente uit de kasstromen. De andere ratio’s laten op basis van het vermogen zien of er voldoende financieringsruimte is. De LTV op beleidswaarde geeft de verhouding weer tussen de omvang van de schuld en de waarde van het vastgoed. De solvabiliteit geeft de verhouding weer tussen het eigen vermogen in relatie tot het balanstotaal.

Het eerder genoemde Duurzaam Prestatie Model willen we ook uitdrukken in een ratio om de ontwikkeling ervan te beoordelen. Hiervoor gebruiken we de Instandhouding Bestaand Bezit Ratio (IBBR). Het drukt uit in hoeverre we in staat zijn om onze instandhouding te betalen vanuit onze exploitatie kasstromen.

De kengetallen zijn berekend op grond van de jaarrekening 2023 en de meerjarenbegroting 2024-2033.

Financiële kengetallen

Financiele kengetallen (Portaal) 2023* 2024** 2025** 2026** 2027** 2028** Externe normen AW/WSW Interne signaal waarde Portaal
IBBR 0,8 0,9 1,1 0,8 0,8 0,9 n.v.t >1,0
ICR 1,9 2,0 2,3 2,2 2,1 2,1 >1,4 >1,7
Solvabiliteit beleidswaarde 41,7 43,4 40,7 37,2 32,3 30,1 >15 >23
Loan to Value beleidswaarde 54,4 54,2 56,3 60,9 66,8 68,0 <85 <78
Dekkingsratio (MW) 22,6 23,3 24,0 26,1 28,0 28,3 <70 <60
Financiele kengetallen (DAEB) 2023* 2024** 2025** 2026** 2027** 2028** Externe normen AW/WSW Interne signaal waarde Portaal
IBBR 0,7 0,9 1,0 0,8 0,8 0,9 n.v.t >1,0
ICR 1,7 1,8 2,1 2,1 1,9 1,9 >1,4 >1,7
Solvabiliteit beleidswaarde 44,3 44,1 41,3 37,9 33,0 30,8 >15 >23
Loan to Value beleidswaarde 60,3 60,7 63,3 69,2 76,0 76,9 <85 <78
Dekkingsratio (MW) 22,7 23,6 24,5 26,9 28,7 29,0 <70 <60
Financiele kengetallen (niet-DAEB) 2023* 2024** 2025** 2026** 2027** 2028** Externe normen AW/WSW Interne signaal waarde Portaal
IBBR  2,4   2,1   1,6   1,3   1,8   1,2  n.v.t >1,0
ICR  4,5   5,9   6,3   6,6   6,3   5,4  >1,8 >2,1
Solvabiliteit beleidswaarde  70,0   72,4   72,5   73,3   71,5   72,6  >40 >43
Loan to Value beleidswaarde  26,2   23,9   22,9   21,4   23,2   24,2  <75 <68
Dekkingsratio (MW)  21,7   19,7   18,7   17,9   19,7   20,4  <70 <60

Zoals uit de tabel is af te lezen, voldoen we bij alle externe kengetallen aan de norm. De exploitatie is voldoende om de rentelasten te dragen. Er is voldoende ruimte om bij te lenen voor nieuwbouw. We zijn actief in een werkgebied waar de vraag naar woningen groot is. Daardoor is de marktwaarde ook relatief hoog, waardoor de dekkingsgraad zeer goed is.

De ICR ligt boven de norm. Deze ratio laat zien of we de rente kunnen betalen uit onze operationele kasstroom (huuropbrengsten minus uitgaven), maar is exclusief de uitgaven die nodig zijn voor het renoveren van woningen.

De LTV en solvabiliteit laten zien dat we de komende vijf jaar nog ruim voldoen aan de normen. Er blijft voldoende ruimte om te blijven bouwen waar extra locaties beschikbaar komen.

We hanteren naast de harde externe normen een interne signaalwaarde voor de kengetallen. Dit is als het ware een soort remweg tot aan de externe norm, waar we niet in willen belanden. Deze signaalwaarde dient als risicobuffer, bijvoorbeeld voor een recessie, stijgende bouwkosten, lagere inflatie of maatregelen vanuit de overheid (zoals met de verhuurderheffing en ATAD is gebeurd) om bij te kunnen sturen. We willen de operationele kasstromen gezond en robuust hebben, zodat we ook voorbereid zijn op mindere tijden en geen hypotheek op de toekomst nemen.

Ons interne kengetal, de Instandhouding Bestaand Bezit Ratio (IBBR), drukt uit in hoeverre we in staat zijn om onze instandhouding te betalen vanuit onze exploitatie kasstromen. Het IBBR-kengetal moet hoger zijn dan 1,0 om financieel gezond te zijn. We voldoen nog niet aan onze interne norm van 1,0 bij de IBBR. Wij sturen op het duurzaam prestatiemodel om ervoor te zorgen dat langjarig evenveel euro’s binnenkomen als uitgaan en we daarmee gaan voldoen aan de IBBR.

Financieringsbeleid

We willen maximaal presteren en investeren naar vermogen. We streven ernaar dat onze liquide middelen maximaal 10 procent van onze jaarlijkse huuromzet (inclusief servicevergoedingen) bedragen. De liquide middelen zijn ultimo 2023 gestegen naar een niveau van 75,4 miljoen euro. De overtollige liquide middelen gebruiken we om de liquiditeitsbehoefte die ontstaat in de toekomst in te vullen.

Borgingsplafond WSW

Het WSW stelt jaarlijks het borgingsplafond en onze borgbaarheid vast. Zij hanteren hiervoor een risicobeoordelingsmodel. Dit model (de WSW Business Risks) houdt een beoordeling in van de bedrijfsrisico’s aan de hand van 24 vragen. Zo wordt duidelijk of de corporatie voldoende in control is. De conclusie van het WSW is wederom dat onze financiële continuïteit gewaarborgd is. Het borgingsplafond is de maximale omvang van de geborgde leningenportefeuille. De marktwaarde van de leningenportefeuille is licht gestegen ten opzichte van 2022 als gevolg van de renteontwikkelingen op de kapitaalmarkt. Per jaareinde bedraagt de marktwaarde van de leningen circa 2,2 miljard euro (2022: 2,1 miljard euro).

Derivatenportefeuille

De wet- en regelgeving eist van ons dat we een liquiditeitsbuffer aanhouden om 200 basispunten (bps) rentedaling op te kunnen vangen. We hebben het gehele jaar voldaan aan deze eis. Op basis van de huidige liquiditeitsbuffer waren we eind 2023 in staat om een renteschok van 998bps op te vangen. De totale liquiditeitsbuffer bedraagt 107 miljoen euro. Deze bestaat voor 60 miljoen euro uit variabele hoofdsomleningen, voor 32 miljoen euro uit spaargeld en banktegoeden en voor 15 miljoen euro uit ruimte in kasgeldfaciliteit.

De derivatenportefeuille is in control en de risico’s zijn beheerst. De totale derivatenportefeuille bedraagt 325 miljoen euro (bruto hoofdsom). De portefeuille bestaat nu nog voor 175 miljoen euro uit gestructureerde derivaten, voor 125 miljoen euro uit reguliere interest rate swaps, en voor 25 miljoen euro uit swaptions. In onze derivatenportefeuille zijn contractuele breakclausules van kracht.

6.3 De waarde van ons vastgoed

In 2023 hebben we, net als voorgaand jaar, een negatief resultaat gerealiseerd van 421 miljoen euro. Dit resultaat wordt voornamelijk veroorzaakt door de marktwaardedaling van ons vastgoed (512 miljoen euro). Na jaren van opgaande markt is vanaf 2022 sprake van lichte daling van de markt, waardoor dit een negatieve impact heeft op ons resultaat.

Vastgoedwaardering uiteengezet

Er bestaat dus een verschil tussen de marktwaardering van ons vastgoed (vermogen) en de realisatiefactor (dat wat we terugzien in onze kasstroom). Ten aanzien van de waardering kennen wij de volgende waardebegrippen.

(x € 1 mln.)

Regio Leegwaarde Marktwaarde Beleidswaarde
Eemland 2.872 1.757 600
Leiden 2.647 1.474 595
Utrecht 6.445 3.598 1.694
Arnhem 1.364 864 325
Nijmegen 3.315 2.045 620
Portaal totaal 16.642 9.737 3.836
% t.o.v. leegwaarde - 59% 23%
% t.o.v. marktwaarde - - 39%

Leegwaarde

De leegwaarde is de verkoopwaarde vrij van huur op de reguliere woningmarkt. Deze waarde realiseren we niet, aangezien ons vastgoed verhuurd is. De gebruikersmarkt laat in de 2e helft van 2023 een licht herstel zien. De gemiddelde leegwaarde per woning is in 2023 0,21 procent gedaald naar 307.671 euro (2022: 310.737 euro). De verwachting voor de ontwikkeling van de verkoopmarkt en daarmee ook de verkoopprijzen is dat de markt in 2024 stabiel blijft. De onzekerheid blijft groot, maar de beleggersmarkt laat een voortgaande daling zien, vooral tot uiting komend in een hogere disconteringsvoet. De vraag van beleggers naar woningen in Nederland wordt minder. De gestegen rente en de onzekerheid rond overheidsmaatregelen voor de middenhuur blijven ervoor zorgen dat er minder vraag is op de beleggersmarkt.

Marktwaarde in verhuurde staat

De marktwaarde in verhuurde staat geeft letterlijk de marktwaarde van ons bezit in verhuurde staat (op de beleggersmarkt) weer. Deze is in 2023 gedaald naar 9,7 miljard euro (2022: 9,8 miljard euro). Onze vastgoedportefeuille bestaat voornamelijk uit woningen. Daarnaast hebben we een relatief kleine portefeuille bedrijfsmatig en maatschappelijk onroerend goed (BOG respectievelijk MOG), en parkeerplaatsen.

Woningportefeuille

De totale marktwaarde van onze woningportefeuille is met drie procent gedaald (de verhuureenheden die zijn toegevoegd buiten beschouwing gelaten). De belangrijkste oorzaak voor de waardedaling in 2023 is de gestegen disconteringsvoet als gevolg van de onzekerheid op de beleggingsmarkt. Alleen hierdoor zakt de waarde al 252 miljoen euro. De verschillen in ontwikkeling zijn per complex erg groot. De kwaliteit van het vastgoed (i.c. energielabel) komt meer in uiting in de waarde. Inmiddels ligt de marktwaarde in verhuurde staat van onze woningen op gemiddeld 180.607 euro, een daling van 6.608 euro ten opzichte van 2022.

Verloop marktwaarde woningen 2022-2023

(x € 1 mln.)

Woningportefeuille 2022 2023
Waarde 1 januari 10.206 9.811
Voorraadmutaties 36 106
Vastgoedgegevens 173 137
Methodische wijzigingen 56 -213
Marktontwikkelingen -660 -300
Waarde 31 december 9.811 9.541

Marktwaarde per m²

De ontwikkeling van de marktwaarde per m² laten zowel voor de woningen van Portaal als voor de benchmark een daling zien. De marktwaardemutatie per m² ligt in lijn met de benchmark. Hierdoor daalt de marktwaarde per m² voor Portaal naar 2.250 euro en is nagenoeg gelijk aan de gemiddelde marktwaarde van de benchmark.

Bedrijfsmatig en maatschappelijk onroerend goed

De positieve waardeontwikkeling van de portefeuille BOG-MOG komt geheel door de waardestijging van parkeerplaatsen. De andere segmenten BOG-MOG kennen een negatieve waardeontwikkeling als gevolg van de negatieve marktontwikkeling.

Waardering BOG-MOG en parkeerplaatsen per regio

(x € 1 mln.)

Regio 2022 2023
Eemland 39 38
Leiden 40 43
Utrecht 63 63
Arnhem 34 30
Nijmegen 17 22
Totaal 193 196

(x € 1 mln.)

Niet-woongelegenheden en parkeerplaatsen 2022 2023
MOG 25 22
BOG 33 32
ZOG 96 97
Parkeren 39 45
Totaal 193 196

6.4 Beleidsmatige beschouwing beleidswaarde

Onze maatschappelijke bijdrage (het verschil tussen marktwaarde en beleidswaarde) is ruim 5,9 miljard euro. Het grootste deel hiervan betreft de betaalbaarheid. De rest bestaat voornamelijk uit onze hogere kosten voor instandhouding omdat we met een lange exploitatietermijn rekening houden en de dienstverlening die we als maatschappelijke organisatie bieden.

Van marktwaarde naar beleidswaarde

(x € 1 mln.)

Aanpassingen beleidswaarde 2022 2023
Marktwaarde 9.814 9.541
Doorexploiteren 453 229
Huurbeleid -3.375 -3.156
Onderhoud -2.320 -2.265
Beheer en leefbaarheid -541 -710
Beleidswaarde 4.032 3.640

Aan het eind van boekjaar 2023 bedroeg het eigen vermogen € 7.706 miljoen (2022: € 8.096 miljoen ). In dit eigen vermogen is de waardering van het vastgoed tegen marktwaarde in verhuurde staat opgenomen. Indien de waardering op beleidswaarde zou plaatsvinden, waarbij inzicht wordt gegeven in de maatschappelijke bestemming, zal het eigen vermogen afnemen tot € 1.805 miljoen (2022: € 2.314 miljoen). Onze maatschappelijke bijdrage voor 2023 is € 5.901 miljoen (2022: € 5.782 miljoen).

Om tot de beleidswaarde te komen worden, uitgaande van de marktwaarde in verhuurde staat, de volgende vier afslagen gehanteerd:

  • Stap 1 - voor het gehele bezit is uitgegaan van het scenario ‘doorexploiteren’ (in plaats van de hoogste van ‘doorexploiteren’ en ‘uitponden’). Er wordt bovendien in het geheel geen rekening gehouden met verkopen. De stijging van de vastgoedwaardering met 229 miljoen euro in de berekening van de beleidswaarde is een direct gevolg van het vervallen van de overdrachtsbelasting, in het 'doorexploiteren' scenario verkopen we namelijk geen woningen meer. Deze stap is hoger dan in vorige jaren, omdat de overdrachtsbelasting van 2 naar 8 procent is verhoogd.
  • Stap 2 - de huurprijs wordt bij mutatie of harmonisatie maximaal verhoogd tot de bestuurlijk vastgestelde streefhuur in plaats van de markthuur. We hanteren in ons beleid een streefhuur van gemiddeld 80 procent van de maximaal redelijke huur, en passend verhuren tot de aftoppingsgrenzen die door de overheid jaarlijks worden vastgesteld, het twee-hurenbeleid. De afslag is wel kleiner dan in 2022, dit komt door de afschaffing van de verhuurderheffing.
  • Stap 3 - de componenten van onderhoud zijn vervangen door een nominale eigen onderhoudsnorm (gecorrigeerd voor inflatie). We hebben hiervoor de onderhoudsbegroting, zoals opgenomen in de meerjarenbegroting 2024-2033, als uitgangspunt genomen. Daarnaast het instandhoudingsdeel wat in de MJB onder de renovatie uitgaven is opgenomen. De stijging komt door de gestegen bouwkosten en meer onderhoud dan voorzien door het betere inzicht in onze instandhoudingsbehoefte.
  • Stap 4 - de beheerskosten uit de DCF-berekening zijn vervangen door een eigen beheernorm die aansluit met de jaarlijkse werkelijke uitgaven voor beheer in de 15-jaars DCF-periode. We hanteren hiervoor de beheerkosten zoals opgenomen in de meerjarenbegroting 2024-2033 als uitgangspunt, middels een kostenfactor per eenheid toegerekend naar een norm per complex.

Van marktwaarde naar beleidswaarde woningen per regio

  Arnhem Nijmegen Utrecht Eemland Leiden
Marktwaarde 160.390 178.897 180.887 182.133 183.647
Stap 1 Beschikbaarheid 5.463 -32 16.397 -2.069 -12.841
Stap 2 Betaalbaarheid -51.295 -60.396 -63.190 -62.289 -49.154
Stap 3 Kwaliteit -42.923 -45.043 -41.533 -42.742 -40.725
Stap 4 Beheer -14.767 -20.537 -9.084 -15.466 -9.980
Beleidswaarde 56.869 52.888 83.476 59.568 70.948

Per regio zien we een verschil in de hoogte van de marktwaarde en in de verhouding tussen markt- en beleidswaarde. Deze verschillen worden veroorzaakt door kenmerken van de woningvoorraad en van de woningmarkt. Duidelijk is dat in de beleidswaarde een nivellering plaatsvindt in waarde van het vastgoed. In krappere (duurdere) woningmarkten (Randstad) is dat effect nog wat groter dan in gebieden met een iets ruimere markt (zoals Arnhem en Nijmegen).

6.5 Ons huishoudboekje nader uitgelegd

Een structureel gezonde exploitatie van ons vastgoed is essentieel voor onze financiële continuïteit. In 2023 hebben we een positieve operationele kasstroom en een positief operationeel resultaat gerealiseerd. Dit jaar is deze kasstroom onvoldoende om de instandhouding van ons bezit te financieren. Over 2023 bedraagt het DPM-saldo 54 miljoen euro negatief (begroot 2023 -/- 69 miljoen euro).

De inkomsten bestaan uit huur en overige inkomsten (vooral servicekosten, een beperkt deel energieprestatievergoeding EPV). De huur voor DAEB-activiteiten bedroeg dit jaar 351 miljoen euro, ofwel 581 euro per verhuurbare eenheid per maand. De overige inkomsten van ongeveer 25 miljoen euro (42 euro per verhuurbare eenheid per maand) dekken de kosten die we maken voor allerhande servicekosten, met name collectieve energie.

De uitgaven voor DAEB-activiteiten kunnen we onderverdelen in vier hoofdposten: instandhouding (renovatie & onderhoud), beheer, belastingen en rente:

  • Het bedrag uitgegeven aan instandhouding is dit jaar 205 miljoen euro. Dit bestaat uit renovaties (100 miljoen euro) en onderhoud (105 miljoen euro). Dit is hoger dan in 2022. Toen was het bedrag 160 miljoen euro. Mede door toenemende eisen ten aanzien van kwaliteit en duurzaamheid stijgen deze uitgaven.
  • Door marktontwikkelingen blijven de kosten voor materialen en arbeid stijgen. Net als de stijgende kosten door aanpassingen die voortvloeien uit wet- en regelgeving, bouwtechnische- en duurzaamheidseisen.
  • De uitgaven aan het beheer (126 miljoen euro, 209 euro per vhe per maand) bestaat met name uit personeelslasten (waaronder vaklieden), ICT en huisvesting en advies- en administratiekosten.
  • De belastingen en heffingen zijn ruim 14 procent (2022: 14 procent) van de opbrengst. Dit ligt in lijn met voorgaand jaar, maar gaat komende jaren stijgen door toenemende uitgaven voor de vennootschapsbelasting. Door de invoering van nieuwe regelgeving (ATAD) gaan deze uitgaven sterk stijgen.

Onze rentekosten bedragen 59 miljoen euro per jaar, dit is 97 euro per vhe per maand. We blijven ons inzetten om zo goedkoop mogelijk te financieren. Ook de ontwikkeling van de rente droeg daaraan bij. Met onze nieuwbouwambities neemt dit in de toekomst een grote hap uit ons DPM. Waar voorheen nieuwbouw rendabel was, ontstaat daar ook tekort door de gestegen rente.

Per saldo resteert over 2023 een tekort van 109 euro per vhe per maand (2022: overschot 25 euro). Het tekort wordt veroorzaakt door hoge uitgaven aan onderhoud en renovaties, mede als gevolg van doorschuiven van 2022 naar 2023. Ook de huurverlaging in 2023 heeft een negatieve impact gehad op de kasstroom.

6.6 Sturen op direct rendement

We willen onze financiële continuïteit langjarig waarborgen. Daarom passen we, zoals eerder al uitgelegd, het Duurzaam Prestatie Model toe. Een belangrijke indicator om te bepalen of we voldoende rendement op ons vastgoed behalen is het direct rendement. We gebruiken het direct rendement om te beoordelen of een complex of deelportefeuille voldoende bijdraagt aan het geheel van Portaal om de rente en renovaties te betalen.

Per saldo hebben we in 2023 een rendement van 1,58 procent gerealiseerd. Dit is iets hoger dan begroot voor het jaar 2023. Op termijn moet het rendement voldoende blijven om ook de renovaties te kunnen financieren.

Realisatie direct rendement per regio

(x € 1 mln)

Regio Begroot 2023 Realisatie 2023
Arnhem 1,56% 1,99%
Eemland 0,98% 1,07%
Leiden 1,30% 1,54%
Nijmegen 1,46% 1,61%
Utrecht 1,64% 1,74%
Totaal 1,43% 1,58%

6.7 Belastingen

In deze paragraaf geven wij een toelichting op belangrijke zaken die een rol spelen bij de belastingafdrachten door Portaal. Hierbij gaan we in op de beheersing van de fiscale processen en risico’s, wijzigingen in wet- en regelgeving, de fiscale positie over 2023 en de belastingdruk.

Beheersing fiscale processen en risico’s

Portaal hanteert een door de Raad van Bestuur vastgesteld fiscaal statuut waarin de kaders worden aangegeven waarbinnen dient te worden gehandeld. Het fiscaal statuut is onderdeel van het Tax Control Framework (TCF) van Portaal. Het TCF is een raamwerk met onder andere een beschrijving van de fiscale organisatie, het fiscale beleid, en de fiscale risico’s en kansen. Belangrijk onderdeel is de verantwoordelijkhedenmatrix  per belastingmiddel en per procesonderdeel.

De kern van de fiscale strategie is dat Portaal aan al haar fiscale wettelijke verplichtingen wil voldoen (compliance). Enerzijds betekent dit dat Portaal tijdig aan haar aangifteplicht wil voldoen. Anderzijds betekent dit dat de verschuldigde belasting juist en volledig in de aangiften wordt opgenomen. Het belang dat wordt gehecht aan de inrichting en inbedding van compliance binnen Portaal wordt ondersteund door het compliance reglement.

Uitgangspunt bij het bepalen van de fiscale strategie is dat deze aan moet sluiten bij de missie en doelen van Portaal.  We willen financieel scherp aan de wind varen om maximaal te kunnen presteren naar vermogen. Hierbij past dat binnen de wettelijke mogelijkheden wordt getracht om de te betalen belasting te minimaliseren. Een lagere belastingdruk leidt immers tot meer beschikbare middelen voor de kerntaak.

Bij het innemen van fiscale standpunten willen we aansluiten bij binnen de sector aanvaarde stellingnames. Uitgangspunt is om hier in goed overleg met Belastingdienst uit te komen. Maar om onze argumenten kracht bij te zetten kan dit in uitzonderlijke gevallen leiden tot een noodzakelijke rechtszaak.

We handelen altijd open en transparant richting stakeholders, waaronder de Belastingdienst. Daarbij is het de wens om in een vroegtijdig stadium zoveel mogelijk zekerheid te verkrijgen omtrent de fiscale gevolgen van besluitvorming.

Wijzigingen in wet- en regelgeving

Vaststellingsovereenkomst vennootschapsbelasting (VSO2)
Vanaf 2008 zijn woningcorporaties integraal belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Portaal heeft met de Belastingdienst de VSO2 afgesloten. In de VSO2 staan specifieke afspraken over de fiscale waardering en resultaatbepaling. De Belastingdienst heeft de VSO2 met alle woningcorporaties per 1 januari 2023 opgezegd. Voor de fiscale waardering en resultaatbepaling in de aangiftes vanaf 2023 kan geen beroep worden gedaan op de VSO2. 

De Belastingdienst staat voor een aantal onderwerpen toe dat de afspraken uit VSO2 ook voor een beperkt aantal jaren vanaf 2023 wordt toegepast. We maken hiervan gebruik bij:

  • de gemengde projectenregeling (voor nieuwbouwprojecten die uiterlijk op 31 december 2025 gestart zijn)
  • de verwerking verkoopresultaten van woningen aangeduid als Verkopen onder Voorwaarden (VOV) die voor 1 januari 2023 zijn verkocht 
  • de verwerking van (dis)agio van nog lopende leningen die al op de openingsbalans per 1 januari 2008 zijn opgenomen.

Het effect van de opzegging van VSO2 is door bovenstaande overgangsregeling zeer beperkt voor de fiscale resultaatbepaling over de jaren 2023 tot en met 2025. Het effect op de jaren vanaf 2026 wordt onderzocht. Dit is naar verwachting ook beperkt.

Wet minimumbelasting 2024 (WMB)
Op 31 december 2023 is de Wet Minimumbelasting 2024 van kracht geworden. Deze wet is een gevolg van deelname door Nederland aan de Europese Unie (EU) en aan het initiatief van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) om het internationale belastingsysteem voor multinationals te herzien. We kennen hiervan de invoering van de Europese ATAD1-richtlijn die geleid heeft tot de generieke renteaftrekbeperking. De WMB is de implementatie van de Europese Pijler2-richtlijn.

De WMB bewerkstelligt dat multinationals en binnenlandse groepen met een omzet van ten minste 750 miljoen euro over hun winst worden belast tegen een tarief van 15 procent. Indien het effectieve belastingtarief lager is dan 15 procent vindt een zogenoemde bijheffing plaats.

De wet is van toepassing op groepsentiteiten van zowel multinationale groepen als binnenlandse groepen, met een jaaromzet van ten minste 750 miljoen euro volgens de geconsolideerde jaarrekening van de moederentiteit van de groep. Binnenlandse groepen zijn groepen waarvan alle entiteiten in Nederland zijn gevestigd. De Wet minimumbelasting 2024 is niet van toepassing op uitgesloten entiteiten. Uitgesloten zijn overheidsentiteiten, pensioenfondsen en bepaalde non-profitorganisaties. Op dit moment zijn entiteiten die kwalificeren als een Toegelaten Instelling Volkshuisvesting niet uitgesloten van de WMB.

De verplichting uit de WMB bestaat enerzijds uit een informatieverplichting en anderzijds uit een belastingaangifte indien er over het verslagjaar bijheffing in Nederland betaald moet worden. Portaal voldoet aan de huidige criteria voor toepassing van de WMB in 2024. Het werkelijke effectieve belastingtarief in 2024 is afhankelijk van de waardeontwikkeling van vastgoedbeleggingen en toepassing van herrekeningsregels van de WMB.

Omdat Portaal de moeder is van een binnenlandse groep is voor de eerste vijf verslagjaren (2024 tot en met 2028) een vermindering naar nihil van de binnenlandse bijheffing van toepassing.  De consolidatiekring van Portaal bestaat uit rechtspersonen waarin Portaal een 100 procent belang houdt. Hierdoor is de vermindering naar nihil van toepassing op alle groepsentiteiten.

Ook vanaf 2029 verwacht Portaal dat er geen bijheffing plaats zal vinden aangezien de waardeveranderingen in de vastgoedportefeuille, die nu in de commerciële jaarrekening is gebaseerd op de marktwaarde in verhuurde staat, herrekend kan worden op basis van de historische kostprijs.

Gegevensuitwisseling digitale platformeconomie (DAC7)
DAC7 is een nieuwe toevoeging aan een bestaande Europese richtlijn die gaat over administratieve samenwerking op het gebied van belastingen. De nieuwe Europese Richtlijn DAC7 is in Nederland vanaf 2023 geïmplementeerd met de Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling digitale platformeconomie.

Door de digitalisering van de economie en de opkomst van digitale grensoverschrijdende platformen is er bij de belastingautoriteiten minder zicht op activiteiten die via digitale platformen worden uitgevoerd. Hierdoor bestaat het risico dat verkopers hun inkomsten via digitale platformen niet (volledig) aangeven in hun belastingaangifte. Dit verstoort ook de concurrentie met traditionele bedrijven.

Op basis van DAC7 zijn bepaalde platformexploitanten verplicht gegevens van verkopers op hun platform te verzamelen, verifiëren en rapporteren aan de Belastingdienst. De Belastingdienst zal deze gegevens vervolgens automatisch uitwisselen met de belastingautoriteiten van andere EU-lidstaten.

Portaal kwalificeert volgens de huidige DAC7 richtlijn als verkoper op het woonruimteverdelingsplatform van platformexploitant Woningnet. Platformexploitanten hoeven voor bestaande verkopers pas over het boekjaar 2024 transactiegegevens aan te leveren. Deze gegevens zal de platformexploitant vanaf 2025 moeten delen met de Belastingdienst.

Vastgoedbesluit 2023
In het vastgoedbesluit wordt een samenvatting gegeven van relevante jurisprudentie inzake de omzetbelastingregels rondom vastgoed. Het vorige vastgoedbesluit stamde uit 2013.

Het vastgoedbesluit bevat wijzigingen in de behandeling van de vergoeding en vooraftrek van zonnepanelen vanaf 2024 en servicevergoedingen en -kosten vanaf 2025. De wijzigingen inzake zonnepanelen komt erop neer dat de vergoeding vanaf 2024 is vrijgesteld en dat ter behoud van het aftrekrecht op investeringen in het verleden nog tijdelijk de vergoedingen gedurende de herzieningstermijn als btw-belast kunnen worden behandeld. Voor servicevergoedingen wordt de goedkeuring dat deze als onderdeel van de verhuur als btw-vrijgesteld kan worden behandeld ingetrokken.

Het effect is dat er aanzienlijke administratieve inspanningen moeten worden verricht in 2024 om de noodzakelijke aanpassingen in de administratieve systemen door te voeren. De wijzigingen leiden tot een beperkt lagere afdracht van omzetbelasting inzake de verhuur van zonnepanelen.

Fiscale positie

Portaal heeft voor de jaren tot en met 2019 aanslagen ontvangen. De aangiftes over de boekjaren tot en met 2021 zijn ingediend. De aangifte 2022 wordt naar verwachting voor 1 mei 2024 ingediend.

We hebben proforma bezwaar ingediend tegen de aanslagen over 2017 tot en met 2019. Dit bezwaar ziet op de fiscale verwerking van derivaten, de vorming van een fiscale voorziening groot onderhoud en op de afwaardering van huurwoningen. Sinds 2020 zijn we in overleg met de Belastingdienst over de fiscale waardering en resultaatbepaling van derivaten. Inmiddels hebben we een standpunt over de waardering ingenomen en dit afgestemd met de Belastingdienst. Het standpunt over de kwalificatie van resultaten uit derivaten vanaf 2019 ligt in lijn met het standpunt van de Belastingdienst. De nadere motivering van het bezwaar 2017 is in maart 2024 ingediend en besproken met de Belastingdienst.

We verwachten dat op korte termijn afwikkeling van de jaren 2017 tot en met 2021 kan plaatsvinden. De aangiftes over 2022 en 2023 moeten nog ingediend worden. Bovenstaande bezwaarpunten leiden naar verwachting tot een verlaging van het belastbaar resultaat over de jaren 2017 tot en met 2023 met 258,9 miljoen euro. Het effect op de acuut verschuldigde vennootschapsbelasting en de latente vennootschapsbelasting is verwerkt in de jaarrekening 2023 en hierin toegelicht.

Belastingdruk

De belastinglast is gestegen van 41,7 miljoen euro in 2022 naar 43,4 miljoen euro in 2023. Uitgedrukt in maanden netto huuropbrengsten is de belastingdruk gestegen van 1,3 naar 1,4 maanden. De vennootschapsbelasting is licht gedaald met 1,2 procent en de gemeentelijke heffingen zijn met 8,2 procent gestegen ten opzichte van 2022. 

(bedragen x € 1.000)

Belastingdruk 2023 2022
Vennootschapsbelasting acute positie 17.555 17.776
Gemeentelijke heffingen 25.847 23.885
Totaal belastingen 43.402 41.661
Netto huuropbrengsten 384.640 375.028
Belastingdruk in maanden huur 1,4 1,3

Toelichting bepaling belastingdruk
In bovenstaande tabel zijn de directe belastingen opgenomen die ten laste komen van de winst-en-verliesrekening. Vanwege de afschaffing vanaf 2023 is de verhuurderheffing niet in bovenstaande vergelijking opgenomen. De vennootschapsbelasting betreft de verschuldigde belasting over het berekende belastbare resultaat over het boekjaar. Hierbij is geen rekening gehouden met de correcties over oude jaren en de mutatie van belastinglatenties die in de belastinglast van het boekjaar zijn verwerkt. Daarnaast is geen rekening gehouden met verrekening van verliezen uit voorgaande jaren. De gemeentelijke heffingen zijn de onroerendezaakbelasting (ozb) en waterschaps- en rioolheffingen die in het boekjaar betaald zijn.

De afdrachten op de aangifte omzetbelasting zijn niet opgenomen in de belastingdruk. Hoewel de betaalde omzetbelasting kostprijsverhogend is voor ons, wordt dit veroorzaakt doordat nagenoeg alle opbrengsten btw-vrijgesteld zijn in de huidige wet- en regelgeving. Indien de reguliere verhuur van woningen btw-belast zou worden, leidt dit tot een hogere afdracht over de omzet dan teruggave op investeringen en kosten. Wel zou een verlaging van het tarief op de bouw van sociale huurwoningen voor ons een aanzienlijke kostprijsverlaging betekenen.

Het effect van de generieke renteaftrekbeperking (ATAD1) bedraagt in 2023 51 miljoen euro (over 2022 60 miljoen euro) Het uitzonderen van woningcorporaties van deze aftrekbeperking zou voor ons een belastingverlaging van 13,2 miljoen euro betekenen in 2023 (over 2022 15,5 miljoen euro)

6.8 Verwachtingen

Onze ambitie is om meer en versneld te investeren in nieuwbouw, verduurzaming en betaalbaarheid. Dit is ons antwoord op de doelstelling uit ons nieuwe ondernemingsplan: Bijdragen aan goed samenleven. Het tempo waarin we onze doelen kunnen bereiken is en blijft afhankelijk van uitvoeringskracht (zowel intern als extern) en financiële ruimte.

Het blijven uitdagende tijden om onze ambitie en Nationale Prestatieafspraken te realiseren. De financiële ruimte is een belangrijke factor. En die staat onder druk als gevolg van de huidige sterke prijsontwikkelingen, rentestijging en de toenemende vennootschapsbelasting. Hierdoor houden we de komende jaren een structureel tekort. Dit maakt dat we strak blijven sturen op onze kasstromen, zodat we ook in de toekomst ons vermogen maximaal maatschappelijk inzetten en blijven presteren.

Versie:
v6.2.32

Met iWink Report maak je professionele online publicaties. Publicaties die je online, in print en als PDF-download kunt aanbieden.

En daarmee voldoe je direct aan de WCAG-wetgeving rond digitale toegankelijkheid.

Eenvoudig, veilig en efficiënt.

Meer over iWink Report