
Financiële continuïteit
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is in 2023 afgesproken dat corporaties tot en met 2030 meer nieuwe woningen bouwen, sneller verduurzamen, de huurprijs matigen en extra investeren in leefbaarheid en onderhoud. In december 2024 zijn de NPA herijkt. Zo is de horizon van de te leveren prestaties (lees: de opgave) verlengd naar 2034. Portaal staat volledig achter deze ambities. Een belangrijke randvoorwaarde is dat de corporaties de opgave financieel aankunnen en ook na 2034 de financiële continuïteit kunnen waarborgen. Daarom is op korte termijn echt een duurzaam prestatiemodel nodig. Hier zal ook de overheid in moeten meebewegen. De herijkte NPA hebben we ook verwerkt in onze meerjarenbegroting 2025-2034 en we hebben ons beleid hierop aangescherpt. Realiseren van de opgave vraagt veel van ons en andere corporaties. De druk is hoog, maar we gaan ervoor. Dit zijn onze plannen:
- Meer nieuwbouw
We voeren de nieuwbouwproductie op en bouwen de komende 10 jaar gemiddeld 1.000 woningen per jaar. Zo dragen we bij aan het oplossen van de wooncrisis. We bouwen niet alleen voor mensen met een laag inkomen, maar ook voor middeninkomens. Dit is een flinke ambitie voor onze organisatie en voor alle betrokken partijen in het bouwproces.
- Verbeteren en verduurzaming vastgoed
We willen eens in de 40 jaar onze woningen verbeteren en verduurzamen. Dit betekent dat we gemiddeld 1.300 woningen per jaar renoveren. Daarnaast versnellen we de verduurzaming van de E-, F- en G-labels en verduurzamen we gemiddeld 500 woningen extra per jaar tot en met 2028. Het jaarlijks verbeteren van circa 1.800 woningen is een flinke opgave, zowel in uitvoering als financieel. Dit is niet alleen een kwaliteitsslag. Het is ook nodig om stappen te blijven maken in het verduurzamen van het vastgoed en het daarmee verlagen van de energielasten voor onze bewoners.
- Betaalbare huren
We blijven ons inzetten voor betaalbare huurprijzen. Dat doen we onder andere door passend toewijzen en een zorgvuldig huurbeleid.
We willen graag versnellen, maar dat kan alleen als er voldoende bouwlocaties, personeel, materialen, ambtelijke capaciteit en financiële middelen beschikbaar zijn. De uitdaging zit in de hele keten, van plan tot uitvoering.
5.1 Sturen op kasstromen
Ons huishoudboekje geeft dagelijks inzicht in onze inkomsten en uitgaven. We kennen onze financiële grenzen. Het in evenwicht houden van de inkomsten en uitgaven van de exploitatie van ons bezit noemen we ook wel ons duurzaam prestatiemodel. Het uitgangspunt is dat we financieel gezond zijn en blijven om nu en in de toekomst onze organisatiedoelstellingen te kunnen blijven realiseren. Toch staan we onder financiële druk. De afgelopen jaren gaven we meer uit dan er binnenkwam. Ook de komende jaren verwachten we structurele tekorten. Dit komt door:
- Prijsstijgingen
Grondstoffen zijn fors duurder geworden, wat de bouwkosten omhoog drijft. Ook installaties voor de energietransitie zijn duurder.
- Arbeidsmarktkrapte
Het is lastig om aan vakmensen te komen.
- Extra onderhoud en renovaties
We investeren meer geld in het verbeteren en verduurzamen van onze woningen. Daarnaast pakken we ook 500 woningen extra per jaar aan tot en met 2028 door het versneld wegwerken van onze E-, F- en G-labels.
- Stijgende belastingen
We betalen steeds meer belasting door de stijgende vennootschapsbelasting. Vooral de invoering van de ATAD en de toekomstige invoering van de Wet Minimumbelasting zorgen ervoor dat de belastingdruk op corporaties de komende jaren flink oploopt.
We blijven de komende jaren een structureel tekort houden van gemiddeld 43 miljoen euro per jaar op de instandhouding van onze DAEB-woningen. Ter illustratie: daardoor komen we gemiddeld 68 euro per woning per maand tekort om duurzaam financieel gezond te zijn en blijven.
Ondanks de financiële druk zijn we trots op wat we hebben bereikt. In 2024 leverden we veel nieuwbouw- en renovatiewoningen op. De realisatiekracht van onze investeringskasstroom in 2024 bedraagt 213 miljoen euro (nieuwbouw, aankoop grond en renovatie). Onze toekomstige ambitie is hoog en we investeren maximaal door ons investeringsvolume te verhogen naar netto 340 miljoen euro per jaar. Dit zijn goede ontwikkelingen voor het terugdringen van het woningtekort. Maar door de gestegen rente en bouwkostenontwikkeling levert nieuwbouw niet langer zomaar een positief financieel effect aan onze huidige exploitatie. We moeten daarom kritisch zijn op wat we wel en niet doen.
Opbrengsten uit niet-DAEB woningen (vrije sector) helpen ons om middeninkomens te bedienen en onze financiële positie te versterken. Daarom zetten we in sommige gemeenten actief in op de bouw van vrijesectorwoningen in het middensegment.
We houden onze woningen betaalbaar en investeren in verduurzaming. Waar het kan, bouwen we nieuwe woningen, ondanks de stijgende kosten. Nieuwbouw financieren we deels met verkoop, leningen en inkomsten uit niet-DAEB woningen. Voor onderhoud en verduurzaming zijn we afhankelijk van de huurinkomsten. Door de huurprijs passend te laten zijn bij het inkomen, kunnen we de lasten eerlijker verdelen.
De belastingdruk voor corporaties blijft onevenredig hoog. Dit zet niet alleen de betaalbaarheid, maar ook de beschikbaarheid van sociale huurwoningen onder druk.
5.2 Beoordelingskader en financiële continuïteit
Portaal hanteert het duurzaam prestatiemodel (DPM) als het centrale uitgangspunt bij het financiële beleid. Dit model brengt in beeld of we op de lange termijn evenveel geld binnenkrijgen als dat we uitgeven. Het DPM-model is gebaseerd op onze DAEB-portefeuille. Ons doel is om het onderhoud en de renovaties van onze woningen te betalen uit onze eigen inkomsten, zodat we minder afhankelijk zijn van externe financiering. Zo blijven we financieel stabiel.
In 2024 hebben we laten zien dat we, ondanks een tekort in de exploitatie, ons vermogen maximaal inzetten voor maatschappelijke doelen. Dit doen we binnen een stevig en goed gecontroleerd financieel kader. Over 2024 sluiten we ons DPM af met een tekort van 2,5 miljoen euro (begroot was een tekort van 28 miljoen euro).
Een tekort op het DPM betekent dat we geld moeten lenen. Het WSW (Waarborgfonds Sociale Woningbouw) stelt een maximale leengrens van 3,5 miljard euro per corporatie. Hoe meer we lenen om operationele tekorten op te vangen, hoe sneller we deze grens bereiken. Dit betekent dat er minder geld overblijft voor nieuwbouw. Daarom is sturen op kasstromen essentieel. Elk jaar houden we nauwlettend in de gaten hoeveel ruimte we nog hebben binnen het (huidige) borgingsplafond van 3,5 miljard euro en welke maatregelen nodig zijn om financieel gezond te blijven. Naar verwachting wordt het borgingsplafond in 2025 verhoogd.
Externe en intern beoordelingskader
Naast ons eigen financiële beleid hebben we te maken met toezicht op de sector. Dit toezicht geeft inzicht in onze financiële gezondheid op lange termijn. Kunnen we onze renteverplichtingen betalen? En hebben we voldoende zekerheden (onderpand) gesteld voor onze leningen?
Onze toezichthouder, de Autoriteit woningcorporaties (Aw), beoordeelt onze financiële positie aan de hand van 4 kengetallen:
- Rentedekkingsgraad (ICR)
Dit kengetal geeft aan of we de rente kunnen betalen uit onze kasstroom. - Loan-to-value (LTV) op beleidswaarde
Dit kengetal laat de verhouding zien tussen onze schuld en de waarde van ons vastgoed. - Solvabiliteit op beleidswaarde
Dit kengetal laat zien hoe groot ons eigen vermogen is ten opzichte van het totale balanstotaal. - Dekkingsgraad op marktwaarde
Dit kengetal geeft inzicht in de financieringsruimte op basis van de marktwaarde van ons bezit.
Daarnaast willen we het eerder genoemde duurzaam prestatiemodel (DPM) ook meetbaar maken met een eigen ratio: de Instandhouding Bestaand Bezit Ratio (IBBR). Deze maatstaf laat zien in hoeverre we de kosten voor onderhoud en renovatie kunnen betalen uit onze eigen exploitatiekasstromen.
De kengetallen zijn berekend op grond van de jaarrekening 2024 en de meerjarenbegroting 2025-2034.
| Financiële kengetallen (Portaal) | 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | Externe normen Aw/WSW | Interne signaalwaarde Portaal |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| * | ** | ** | ** | ** | ** | |||
| IBBR | 1,1 | 0,9 | 0,8 | 0,7 | 0,8 | 0,9 | n.v.t. | >1,0 |
| ICR | 2,2 | 2,1 | 1,6 | 2 | 1,7 | 1,6 | >1,4 | >1,7 |
| Solvabiliteit beleidswaarde | 58,4 | 52,5 | 50,9 | 47,3 | 45,3 | 44,1 | >30 | >38 |
| LTV beleidswaarde | 38,7 | 46,3 | 47,8 | 52,4 | 54,2 | 54,9 | <70 | <60 |
| Dekkingsratio marktwaarde | 21,8 | 23,9 | 25 | 27 | 27,9 | 28 | <70 | <60 |
| Financiële kengetallen (DAEB) | 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | Externe normen Aw/WSW | Interne signaalwaarde Portaal |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| * | ** | ** | ** | ** | ** | |||
| IBBR | 1 | 0,9 | 0,8 | 0,6 | 0,7 | 0,8 | n.v.t. | >1,0 |
| ICR | 1,9 | 1,9 | 1,5 | 1,8 | 1,6 | 1,5 | >1,4 | >1,7 |
| Solvabiliteit beleidswaarde | 59,6 | 53,2 | 51,7 | 48,3 | 46,4 | 45 | >30 | >38 |
| LTV beleidswaarde | 41,5 | 49,8 | 51,5 | 56,6 | 58,5 | 59,5 | <70 | <60 |
| Dekkingsratio marktwaarde | 22 | 24,4 | 25,5 | 27,5 | 28,4 | 28,6 | <70 | <60 |
| Financiële kengetallen (niet-DAEB) | 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | Externe normen Aw/WSW | Interne signaalwaarde Portaal |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| * | ** | ** | ** | ** | ** | |||
| IBBR | 3,2 | 2,5 | 1,8 | 1,7 | 1,1 | 2,1 | n.v.t. | >1,0 |
| ICR | 7,1 | 6,2 | 6,4 | 6,1 | 5 | 4,2 | >1,8 | >2,1 |
| Solvabiliteit beleidswaarde | 74,2 | 72,5 | 73,60 | 71 | 71,2 | 72,3 | >30 | >38 |
| LTV beleidswaarde | 21,4 | 23,9 | 23,6 | 25,6 | 26,7 | 25,9 | <70 | <60 |
| Dekkingsratio marktwaarde | 20 | 18,6 | 19 | 20,8 | 21,9 | 21,1 | <70 | <60 |
Uit de cijfers blijkt dat we bij alle externe kengetallen aan de norm voldoen. Onze exploitatie is gezond genoeg om de rentelasten te dragen en we hebben voldoende ruimte om extra te lenen voor nieuwbouw. Omdat we actief zijn in een regio met een grote woningvraag, ligt de marktwaarde van onze woningen relatief hoog. Dit zorgt voor een sterke dekkingsgraad.
De ICR laat zien of we de rente kunnen betalen uit onze operationele kasstroom (huuropbrengsten minus uitgaven), maar is exclusief de uitgaven die nodig zijn voor het renoveren van woningen. Dit ratio ligt boven de externe norm en enkele jaren onder onze interne signaalwaarde.
De LTV en solvabiliteit laten zien dat we de komende 5 jaar nog ruim voldoen aan de normen. Er blijft voldoende ruimte om te blijven bouwen waar extra locaties beschikbaar komen.
Naast de verplichte externe normen hanteren we ook interne signaalwaarden. Dit kun je zien als een veiligheidsmarge: een financiële buffer waarmee we tijdig kunnen bijsturen. Dit helpt ons om voorbereid te zijn op economische tegenvallers, zoals een recessie, stijgende bouwkosten, lage inflatie of nieuwe overheidsmaatregelen zoals de Wet Minimumbelasting.
Ons doel is om onze operationele kasstromen gezond en robuust te houden, zodat we niet alleen in goede tijden, maar ook in slechtere periodes kunnen blijven investeren zonder de toekomst in gevaar te brengen.
De Instandhouding Bestaand Bezit Ratio (IBBR) geeft aan in hoeverre we de kosten voor onderhoud en renovatie kunnen betalen uit onze exploitatiekasstromen. Het IBBR-kengetal moet hoger zijn dan 1,0 om financieel gezond te zijn. We voldoen nog niet aan onze interne norm van 1,0 bij de IBBR.
Financieringsbeleid
We willen maximaal presteren en investeren naar vermogen. We streven ernaar dat onze liquide middelen maximaal 10 procent bedragen van onze jaarlijkse huuromzet (inclusief servicevergoedingen). Eind 2024 hadden we 54,6 miljoen euro aan liquide middelen. Dit bedrag is gedaald ten opzichte van eerdere jaren. We gebruiken deze overtollige middelen om in de toekomst in onze liquiditeitsbehoefte te voorzien.
Borgingsplafond WSW
Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) bepaalt jaarlijks onze maximale leencapaciteit en beoordeelt of we financieel gezond zijn. Dit doen ze met een risicobeoordelingsmodel (WSW Business Risks), dat onze bedrijfsrisico’s analyseert aan de hand van 24 vragen. De conclusie van het WSW is opnieuw positief: onze financiële continuïteit is gewaarborgd. Het borgingsplafond bepaalt hoeveel leningen we maximaal kunnen afsluiten met WSW-garantie. Door de renteontwikkelingen op de kapitaalmarkt is de marktwaarde van onze leningen licht gestegen. Eind 2024 bedroeg deze circa 2,3 miljard euro, tegenover 2,2 miljard euro in 2023.
Derivatenportefeuille
De wetgeving verplicht ons om een liquiditeitsbuffer aan te houden, zodat we een rentedaling van 200 basispunten (bps) kunnen opvangen. In 2024 voldeden we hier ruimschoots aan. Op basis van onze buffer konden we zelfs een renteschok van 1.057 bps opvangen.
Onze totale liquiditeitsbuffer bedraagt 107 miljoen euro, opgebouwd uit:
- 60 miljoen euro in variabele hoofdsomleningen
- 32 miljoen euro in spaargeld en banktegoeden
- 15 miljoen euro in kasgeldfaciliteit
Onze derivatenportefeuille is in control en de risico’s zijn goed beheersbaar. De totale waarde bedraagt 300 miljoen euro (bruto hoofdsom), verdeeld over:
- 50 miljoen euro aan gestructureerde derivaten
- 125 miljoen euro aan reguliere rentecontracten (interest rate swaps)
- 25 miljoen euro aan swaptions
Binnen deze portefeuille zijn contractuele breakclausules van kracht.
5.3 De waarde van ons vastgoed
In 2024 hebben we een positief resultaat van 948 miljoen euro behaald. Dit komt vooral door de stijging van de marktwaarde van ons vastgoed (922 miljoen euro waardestijging vastgoed in exploitatie). Na een korte periode van waardedalingen in 2022 en 2023, trok de markt in 2024 weer aan. Dit had een gunstige invloed op onze financiële resultaten.
Vastgoedwaardering uiteengezet
Er bestaat een verschil tussen de marktwaardering van ons vastgoed (vermogen) en de realisatiefactor (dat wat we terugzien in onze kasstroom). Ten aanzien van de waardering kennen we 3 waarderingsbegrippen:
| Regio | Leegwaarde (x 1 mln) | Marktwaarde (x 1 mln) | Beleidswaarde (x 1 mln) |
|---|---|---|---|
| Arnhem | € 1.524 | € 918 | € 532 |
| Eemland | € 3.314 | € 1.874 | € 980 |
| Leiden | € 2.964 | € 1.605 | € 904 |
| Nijmegen | € 3.891 | € 2.283 | € 1.081 |
| Utrecht | € 7.646 | € 3.979 | € 2.147 |
| Totaal | € 19.339 | € 10.659 | € 5.644 |
Onze marktwaarde is 55 procent van de leegwaarde. Onze beleidswaarde is 29 procent van de leegwaarde en 53 procent van de marktwaarde.
Leegwaarde
De leegwaarde is de verkoopwaarde vrij van huur op de reguliere woningmarkt. Omdat onze woningen verhuurd zijn, realiseren we deze waarde niet. In 2024 steeg de gemiddelde leegwaarde per woning met 16,27 procent naar 357.875 euro (2023: 307.800 euro). De vooruitzichten voor de verkoopmarkt zijn positiever dan een jaar geleden. De hogere leencapaciteit en de aanhoudende krapte op de woningmarkt blijven de belangrijkste drijvende krachten achter deze stijging.
De leegwaarde steeg in alle regio’s met 13 tot 18 procent. Arnhem is onze enige regio waar de gemiddelde leegwaarde nog onder de 300.000 euro ligt. Het hoogste gemiddelde zit in de regio Utrecht. De grootste waardeverschillen tussen regio’s zijn weer toegenomen. In 2023 bedroeg het verschil tussen de hoogste en laagste leegwaarde 49.000 euro, in 2024 is dat opgelopen tot 100.000 euro.
Marktwaarde in verhuurde staat
De marktwaarde in verhuurde staat is de waarde van onze woningen op de beleggersmarkt. Deze steeg in 2024 naar 10,7 miljard euro, ten opzichte van 9,7 miljard euro in 2023. Onze portefeuille bestaat grotendeels uit woningen, maar bevat ook een klein aandeel bedrijfsmatig en maatschappelijk vastgoed (BOG en MOG) en een flink aantal parkeerplaatsen.
Woningportefeuille
De marktwaarde in verhuurde staat is de waarde van onze woningen op de beleggersmarkt. Deze steeg in 2024 naar 10,7 miljard euro, ten opzichte van 9,7 miljard euro in 2023. Onze portefeuille bestaat grotendeels uit woningen, maar bevat ook een klein aandeel bedrijfsmatig en maatschappelijk vastgoed (BOG en MOG) en een flink aantal parkeerplaatsen.
Woningportefeuille
Onze vastgoedwaardering is in 2024 met 928 miljoen euro gestegen, exclusief mutaties in ons bezit. Dit komt door een verbetering van de eindgebruikersmarkt en een toename van het beleggingsvolume, vooral in de woningbeleggingsmarkt. Beleggers investeren meer in nieuwbouwprojecten en bestaande woningportefeuilles die per woning worden verkocht. De huurmarkt blijft krap, met de hoogste huurprijzen in Utrecht en Leiden, wat bijdraagt aan de hogere waardering.
Verloop marktwaarde woningen 2023-2024
| Regio | Woningen (x 1 mln) |
|---|---|
| Waarde 2023 | € 9.541 |
| Voorraadmutaties | € 7 |
| Vastgoedgegevens | € 179 |
| Methodische wijzigingen | € 54 |
| Marktontwikkelingen | € 688 |
| Waarde 2024 | € 10.469 |
Marktwaarde per vierkante meter
De marktwaarde per vierkante meter stijgt zowel bij Portaal (de donkerblauwe lijn in de grafiek) als bij de benchmark (de lichtblauwe lijn). Onze waardestijging is iets hoger dan gemiddeld, met 10,7 procent. Dit komt mede doordat onze woningen in aantrekkelijke beleggerssteden staan en een relatief goed energielabel hebben. Complexen met een slechte energieprestatie worden al 2 jaar lager gewaardeerd op de markt.

Bedrijfsmatig en maatschappelijk onroerend goed
De waarde van onze BOG- en MOG-portefeuille is ultimo 2024 vrijwel gelijk gebleven ten opzichte van ultimo 2023. Dit is te zien in de tabel hieronder:
| Categorie | Netto marktwaarde 2023 (x 1 mln) | Netto marktwaarde 2024 (x 1 mln) |
|---|---|---|
| Intramurale zorg | € 97 | € 94 |
| BOG | € 32 | € 29 |
| MOG | € 22 | € 21 |
| Garageboxen | € 38 | € 38 |
| Parkeerplaatsen | € 8 | € 8 |
| Totaal | € 196 | € 190 |
5.4 Beleidsmatige beschouwing beleidswaarde
Onze maatschappelijke bijdrage (het verschil tussen marktwaarde en beleidswaarde) is 5 miljard euro. Dit komt vooral door de betaalbaarheid van onze woningen. Daarnaast maken hoge instandhoudingskosten deel uit van dit bedrag. Dit vanwege de lange exploitatietermijn en de dienstverlening die we als maatschappelijke organisatie bieden.
Van marktwaarde naar beleidswaarde woningen
| Aanpassingen beleidswaarde | 2023 (x 1 mln) | 2024 (x 1 mln) |
|---|---|---|
| Marktwaarde | € 9.541 | € 10.468 |
| Doorexploiteren | € 229 | -1.349 |
| Huurbeleid | -3.156 | -2.594 |
| Onderhoud | -2.265 | -1.914 |
| Beheer en leefbaarheid | -710 | -543 |
| Sociale disconteringsvoet | n.v.t. | € 1.386 |
| Beleidswaarde | € 3.640 | € 5.453 |
Bij toepassing van de beleidswaarde ligt ons vermogen 5 miljard euro lager dan bij de marktwaardeberekening. Dit verschil zien we als onze maatschappelijke bijdrage. De beleidswaarde wordt bepaald door de marktwaarde in verhuurde staat te corrigeren met 5 afslagen:
1. Beschikbaarheid (doorexploiteren)
Voor al ons bezit hanteren we het scenario van doorexploiteren in plaats van uitponden. Daarnaast houden we geen rekening met verkopen.
2. Betaalbaarheid (huurbeleid)
Bij mutatie of harmonisatie verhogen we de huur niet tot de markthuur, maar tot de bestuurlijk vastgestelde streefhuur. Dit betekent gemiddeld 80 procent van de maximaal redelijke huur, met passend verhuren tot de aftoppingsgrenzen. Door de afschaffing van de verhuurderheffing is deze afslag kleiner geworden.
3. Kwaliteit (onderhoud)
In plaats van de standaard onderhoudscomponenten gebruiken we onze eigen onderhoudsbegroting, zoals opgenomen in de meerjarenbegroting 2025-2034.
4. Beheer
De beheerskosten uit de DCF-berekening vervangen we door een eigen beheernorm die aansluit bij de jaarlijkse werkelijke uitgaven voor beheer. Dit gebeurt op basis van de meerjarenbegroting 2025-2034, waarbij de kosten per eenheid worden omgerekend naar een norm per complex.
5. Disconteringsvoet
De marktconforme disconteringsvoet vervangen we door een sociale disconteringsvoet. Deze ligt lager, omdat het verhuren van een woning tegen een sociale huurprijs een lager risico met zich meebrengt.
Van marktwaarde naar beleidswaarde woningen per regio (gemiddelde waarden)
| Arnhem | Nijmegen | Utrecht | Eemland | Leiden | |
|---|---|---|---|---|---|
| Marktwaarde | € 172.838 | € 197.655 | € 200.027 | € 198.472 | € 202.106 |
| Stap 1 Beschikbaarheid | -10.883 | -24.656 | -25.555 | -23.902 | -37.445 |
| Stap 2 Betaalbaarheid | -44.441 | -53.439 | -46.683 | -56.977 | -40.380 |
| Stap 3 Kwaliteit | -35.786 | -35.861 | -39.270 | -32.473 | -32.382 |
| Stap 4 Beheer | -10.042 | -13.498 | -10.699 | -7.877 | -7.093 |
| Stap 5 Disconteringsvoet | € 25.902 | € 22.376 | € 28.544 | € 25.160 | € 26.511 |
| Beleidswaarde | € 97.588 | € 92.576 | € 106.364 | € 102.402 | € 111.318 |
Per regio zien we een verschil in de hoogte van de marktwaarde en in de verhouding tussen markt- en beleidswaarde. Deze verschillen worden veroorzaakt door kenmerken van de woningvoorraad en van de woningmarkt.
5.5 Onderhoud
In 2024 hebben we 58,3 miljoen euro uitgegeven aan dagelijks onderhoud. Hiervoor was 44,6 miljoen euro begroot. De overschrijding komt vooral door hogere kosten voor arbeid en materiaal en hogere kosten bij mutaties. Bij woningen waar huurders lange tijd hebben gewoond, is vaak meer onderhoud nodig dan vooraf ingeschat. Deze trend zagen we niet alleen in 2024, maar ook in het voorgaande jaar. Hieronder zie je de onderhoudsuitgaven
| Type onderhoud | Realisatie (x 1 mln) | Budget (x 1 mln) |
|---|---|---|
| Klachtenonderhoud | € 21,4 | € 15,4 |
| Mutaties keuken, badkamer en toilet | € 5,7 | € 4,2 |
| Mutatieonderhoud | € 26,0 | € 20,4 |
| Contractonderhoud | € 0,3 | € 0,4 |
| Kosten door gewijzigde regelgeving | € 3,1 | € 3,5 |
| AM opdrachten | € 1,2 | € 0,5 |
| Overig | € 0,4 | € 0,2 |
| Totaal | € 58,3 | € 44,6 |
5.6 Ons huishoudboekje nader uitgelegd
Een structureel gezonde exploitatie van ons vastgoed is essentieel voor onze financiële continuïteit. In 2024 hebben we een positieve operationele kasstroom en een positief operationeel resultaat behaald. Dit jaar is deze kasstroom onvoldoende om de instandhouding van ons bezit te financieren. Over 2024 bedraagt het DPM-saldo 2,5 miljoen euro negatief (begroot was 28 miljoen euro negatief). Het DPM-model is gebaseerd op onze DAEB-portefeuille.

Onze inkomsten bestaan uit huur en overige inkomsten (vooral servicekosten). De huurinkomsten uit DAEB-activiteiten bedroegen in 2024 in totaal 361 miljoen euro, wat neerkomt op 598 euro per verhuurbare eenheid per maand. Onze uitgaven voor DAEB-activiteiten kunnen we onderverdelen in 4 hoofdposten:
- Instandhouding (onderhoud en renovatie)
Instandhouding kostte in totaal 170 miljoen euro, waarvan 59 miljoen euro naar renovaties ging en 111 miljoen euro naar onderhoud. De onderhoudskosten lagen hoger dan in 2023, mede door strengere eisen op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. De renovatie-uitgaven waren juist lager dan vorig jaar, maar nemen de komende jaren flink toe. Door marktontwikkelingen blijven de kosten voor materialen en arbeid stijgen. Dit geldt ook voor de extra uitgaven die voortkomen uit nieuwe wet- en regelgeving, bouwtechnische eisen en verduurzamingsmaatregelen. - Beheer
Voor beheer gaven we 103 miljoen euro uit, wat neerkomt op 171 euro per verhuurbare eenheid per maand. Deze kosten bestaan vooral uit personeelslasten, ICT, huisvesting en advies- en administratiekosten. - Belastingen
De belastingen en heffingen bedroegen 9 procent van de totale opbrengst, tegenover 14 procent in 2023. Dit lagere percentage komt door fiscale optimalisatie uit eerdere jaren, die in 2024 doorwerkt. De komende jaren stijgt dit percentage weer door de toenemende vennootschapsbelasting als gevolg van nieuwe regelgeving, zoals ATAD en Pillar II. - Rente
Onze rentekosten bedroegen 60 miljoen euro, ofwel 100 euro per verhuurbare eenheid per maand. We blijven ons inspannen om zo voordelig mogelijk te financieren. De renteontwikkelingen werkten daarbij in ons voordeel, maar met onze nieuwbouwambities heeft dit in de toekomst een grotere impact op ons duurzaam prestatiemodel. Waar nieuwbouw voorheen rendabel was, zorgt de gestegen rente nu voor tekorten.
Per saldo sluiten we 2024 af met een tekort van 4 euro per verhuurbare eenheid per maand, terwijl in 2023 nog een overschot van 109 euro per eenheid per maand werd gerealiseerd.
5.7 Belastingen
In deze paragraaf geven we een toelichting op belangrijke zaken die een rol spelen bij de belastingafdrachten door Portaal. We gaan in op de beheersing van de fiscale processen en risico’s, wijzigingen in wet- en regelgeving, de fiscale positie over 2024 en de belastingdruk.
Beheersing fiscale processen en risico’s
Portaal werkt volgens een fiscaal statuut, vastgesteld door de Raad van Bestuur. Dit statuut geeft de kaders aan waarbinnen we opereren en maakt deel uit van ons Tax Control Framework (TCF). Dit raamwerk beschrijft de fiscale organisatie, het beleid en de risico’s en bevat een verantwoordelijkhedenmatrix per belastingmiddel en procesonderdeel.
Onze fiscale strategie is gericht op volledige naleving van de wetgeving (compliance). Dit betekent dat we tijdig en correct onze belastingaangiften indienen. Tegelijkertijd streven we er binnen de wettelijke mogelijkheden naar om de belastingdruk te minimaliseren, zodat er meer middelen overblijven voor onze maatschappelijke taken. Uitgangspunt bij het bepalen van de fiscale strategie is dat deze moet aansluiten bij de missie en doelen van Portaal. We willen financieel scherp aan de wind varen om maximaal te kunnen presteren naar vermogen.
Bij het innemen van fiscale standpunten sluiten we aan bij gangbare praktijken binnen de sector. We zoeken hierover tijdig overleg met de Belastingdienst. Om onze argumenten kracht bij te zetten kan dit in uitzonderlijke gevallen leiden tot het nemen van juridische stappen. Onze werkwijze is altijd transparant en we streven ernaar om zo vroeg mogelijk zekerheid te krijgen over de fiscale gevolgen van onze besluiten.
Wijzigingen in wet- en regelgeving
Vaststellingsovereenkomst vennootschapsbelasting (VSO2)
Sinds 2008 zijn woningcorporaties integraal belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Portaal heeft met de Belastingdienst de VSO2 afgesloten. Hierin staan specifieke afspraken over de fiscale waardering en resultaatbepaling. Per 1 januari 2023 heeft de Belastingdienst deze overeenkomst voor alle corporaties opgezegd. Voor enkele onderdelen blijft VSO2 tijdelijk van toepassing, waaronder:
- De gemengde projectenregeling voor nieuwbouwprojecten gestart vóór 31 december 2025.
- De verwerking van verkoopresultaten van woningen aangeduid als Verkopen onder Voorwaarden (VOV) die vóór 1 januari 2023 zijn verkocht.
- De verwerking van (dis)agio van nog lopende leningen die al op de openingsbalans stonden per 1 januari 2008.
Door deze overgangsregeling heeft de beëindiging van VSO2 een zeer beperkt effect op onze fiscale resultaatbepaling over de jaren 2023 tot en met 2025. Daarna verwachten we ook weinig effect omdat gemengde projecten steeds minder voorkomen.
Wet minimumbelasting 2024
Op 31 december 2023 is de Wet Minimumbelasting 2024 (WMB) in werking getreden. Deze wet vloeit voort uit internationale afspraken en bepaalt dat multinationale en binnenlandse ondernemingen met een omzet vanaf 750 miljoen euro minimaal 15 procent belasting over hun winst betalen. Als het effectieve belastingtarief lager is dan 15 procent vindt een zogenoemde bijheffing plaats.
De wet geldt in principe ook voor woningcorporaties, maar door een overgangsregeling wordt de binnenlandse bijheffing voor ons tot en met 2028 verlaagd naar nihil. Vanaf 2029 moeten we wel jaarlijks bijheffing betalen. We onderzoeken de mogelijkheden om deze belastingafdracht binnen de wettelijke kaders te beperken.
Gegevensuitwisseling digitale platformeconomie (DAC7)
DAC7 is een nieuwe toevoeging aan een bestaande Europese richtlijn die gaat over administratieve samenwerking op het gebied van belastingen. De DAC7-richtlijn verplicht digitale platformen om transacties van verkopers door te geven aan de Belastingdienst, zodat inkomsten beter worden bijgehouden. Portaal valt onder deze regeling als verkoper op het woonruimteverdelingsplatform van WoningNet. Hoewel platformexploitanten deze gegevens in principe vanaf 2025 moeten rapporteren, heeft de Belastingdienst de verplichting voor woonruimteverdelingsplatformen voorlopig opgeschort. Er lopen nog vragen hierover bij de Europese Commissie.
Vastgoedbesluit 2023 en servicekosten 2025
In het Vastgoedbesluit 2023 is bepaald dat bepaalde servicekosten vanaf 1 januari 2025 met btw belast moeten worden. Dit geldt voor kosten zoals gas, water en elektriciteit wanneer deze per huurder bemeterd zijn. Daarnaast geldt dit voor servicekosten waarbij huurders gezamenlijk of individueel de leverancier kunnen kiezen. We hebben onze administratie hierop aangepast.
Fiscale positie
We hebben de definitieve aanslagen ontvangen voor de vennootschapsbelasting tot en met 2020. De aangiften voor de jaren tot en met 2023 zijn ingediend.
De bezwaarprocedures over de aanslagen van 2017 en 2018 zijn afgerond. We hebben met de Belastingdienst overeenstemming bereikt over de verwerking van derivaten, het treffen van een voorziening voor groot onderhoud en de afwaardering van huurwoningen.
Belastingdruk
De belastinglast is gestegen van 43,4 miljoen euro in 2023 naar 46,3 miljoen euro in 2024. Uitgedrukt in maanden netto huuropbrengsten is de belastingdruk gelijk gebleven op 1,4 maanden. De vennootschapsbelasting is gestegen met 15,6 procent en de gemeentelijke heffingen zijn met 9,1 procent gestegen ten opzichte van voorgaand jaar.
| Belastingdruk | 2023 | 2024 |
|---|---|---|
| Vennootschapsbelasting acute positie | € 17.555.000 | € 20.294.000 |
| Gemeentelijke heffingen | € 25.847.000 | € 28.191.000 |
| Totaal belastingen | € 43.402.000 | € 48.485.000 |
| Netto huuropbrengsten | € 384.640.000 | € 396.803.000 |
| Belastingdruk in maanden huur | 1,4 | 1,5 |
Toelichting bepaling belastingdruk
In bovenstaande tabel zijn de directe belastingen opgenomen die ten laste komen van de winst-en-verliesrekening. De vennootschapsbelasting is de verschuldigde belasting over het belastbare resultaat over het boekjaar. Hierbij is geen rekening gehouden met de correcties over oude jaren en de mutatie van belastinglatenties die in de belastinglast van het boekjaar zijn verwerkt. Daarnaast is geen rekening gehouden met verrekening van verliezen uit voorgaande jaren. De gemeentelijke heffingen zijn de onroerendezaakbelasting (ozb) en waterschaps- en rioolheffingen die in het boekjaar betaald zijn.
De omzetbelasting is niet meegenomen in de belastingdruk. Hoewel de betaalde omzetbelasting kostprijsverhogend is voor ons, wordt dit veroorzaakt doordat nagenoeg alle opbrengsten btw vrijgesteld zijn in de huidige wet- en regelgeving. Indien de reguliere verhuur van woningen btw-belast zou worden, leidt dit tot een hogere afdracht over de omzet dan teruggave op investeringen en kosten. Wel zou een verlaging van het tarief op de bouw van sociale huurwoningen voor ons een aanzienlijke kostprijsverlaging betekenen.
De generieke renteaftrekbeperking (ATAD1) had in 2024 een impact van 49 miljoen euro (in 2023 was dit 51 miljoen euro). Als woningcorporaties van deze beperking zouden worden uitgezonderd, zou dit ons een belastingverlaging van 12,5 miljoen euro in 2024 opleveren (13,2 miljoen euro in 2023).
5.8 Verwachtingen
Onze ambitie is om meer en versneld te investeren in nieuwbouw, verduurzaming en betaalbaarheid. Zo willen we bijdragen aan goed samenleven. Het tempo waarin we onze doelen kunnen bereiken is en blijft afhankelijk van uitvoeringskracht (zowel intern als extern) en financiële ruimte.
Het blijft een uitdaging om onze plannen en de nationale prestatieafspraken waar te maken. De financiële ruimte staat onder druk door stijgende prijzen, hoge rente en de toenemende vennootschapsbelasting. Daardoor blijven we de komende jaren met een structureel tekort zitten. Dit vraagt om strak financieel beheer, zodat we ons vermogen maximaal maatschappelijk kunnen blijven inzetten en blijven presteren.
5.9 Huurbevriezing
Op 18 april 2025 heeft de minister van Financiën de Voorjaarsnota 2025 gepubliceerd met daarin een update van de Rijksbegroting 2025 en de daaropvolgende jaren. De Rijksoverheid heeft onder meer het voorgenomen besluit om de huren voor sociale huurwoningen in 2025 en 2026 te bevriezen. Dit betekent dat er geen huurverhogingen mogen worden doorgevoerd tussen 1 juli 2025 en 1 juli 2027. Het betreft een voorgenomen politiek besluit die, op het moment van opmaken van deze jaarrekening, nog niet is vastgelegd in wet- en regelgeving.
Als mogelijk gevolg van het voorgenomen besluit blijven huurverhogingen in 2025 en 2026 uit en komen daarmee de huurinkomsten in de daaropvolgende jaren tevens lager uit dan initieel verwacht en afgesproken in de nationale prestatieafspraken. Hierdoor neemt de toekomstige investeringsruimte van Portaal af voor onder meer onderhoud, verduurzaming, leefbaarheid en uitbreiding van de woningvoorraad.
De lagere toekomstige kasstromen uit huuropbrengsten hebben tevens een neerwaarts effect op de marktwaarde en de beleidswaarde van het vastgoed in verhuurde staat en de voorziening onrendabele top. De marktwaarde in verhuurde staat en beleidswaarde van het vastgoed zijn immers bepaald op basis van onder meer de veronderstelling van jaarlijkse huurverhogingen.
Daarnaast heeft het voorgenomen besluit direct impact op de huurkasstromen van de gereguleerde huurwoningen (DAEB) en daarmee de begroting onderliggend aan de berekende ratio’s 2025 en daaropvolgende jaren, waaronder de Interest Coverage Ratio (ICR) en Loan-to-value (LTV). Beide ratio’s zijn belangrijk voor de borging door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). Omdat de huurinkomsten door de bevriezing achterblijven bij eerdere aannames, zal de ontwikkeling van de operationele kasstroom achterblijven en daarmee een direct neerwaarts effect hebben op de ICR. Een gelijk effect zal zichtbaar zijn op de LTV door een afname van de beleidswaarde. Deze effecten gelden voor de DAEB gezien de gereguleerde huurwoningen hierin zijn ondergebracht.
Naar aanleiding van het voorgenomen besluit heeft Portaal een schatting gemaakt van de mogelijke financiële effecten voor de DAEB-portefeuille indien de huurbevriezing voor 2025 en 2026 zich daadwerkelijk voordoet. De potentiële impact van de huurbevriezing voor de DAEB-portefeuille is als volgt weer te geven. De beleidswaarde zal per 31 december 2024 afnemen met 5,1 procent (-/- 289 miljoen euro). En daarmee zal de LTV op balansdatum stijgen tot 44,2 procent (bij een grenswaarde van 70 procent). Een huurbevriezing heeft een direct negatief effect op onze exploitatie kasstroom. De ICR zal in 2025 en 2026 dalen ten opzichte van het basisscenario uit de meerjarenbegroting 2025-2034. In dit basisscenario is namelijk uitgegaan van huurindexaties voor de gereguleerde huur (DAEB) in 2025 en 2026 conform de Nationale Prestatieafspraken. Voor 2025 daalt de ICR met circa 0,15 tot 1,79. Voor 2026 daalt de ICR met circa 0,33 punten tot 1,13. Voor de ICR geldt een grenswaarde van 1,4.
In voornoemde doorrekening is nog niet uitgegaan van mogelijke compensatie door de overheid. De effecten zijn de directe gevolgen van huurbevriezing.
Beleidsmatig volgen wij de Nationale Prestatieafspraken. Onze volkshuisvestelijke inzet en prestaties, samenkomend in onze langjarige portefeuillestrategie zijn hierop uitgelijnd. Wij nemen daarmee ons aandeel in het oplossen van de wooncrisis. Wanneer wij structureel en langjarig minder huurinkomsten ontvangen dan met de overheid afgesproken betekent dit dat Portaal op termijn beleidsmatig zal moeten bijsturen op onder meer onderhoud, verduurzaming, leefbaarheid en uitbreiding van de woningvoorraad. Dit om ook onze langjarige financiële continuïteit blijvend te waarborgen. Deze mogelijkheden bestaan, maar zetten wij pas in indien het niet anders kan. De wooncrisis moet worden opgelost.Portaal heeft de impact van genoemde gebeurtenis afgewogen op grond van RJ 160 (‘Gebeurtenissen na balansdatum’) en geconcludeerd dat geen sprake is van een gebeurtenis die nadere informatie geeft over de feitelijke situatie per balansdatum en deze is daarmee niet verwerkt in de jaarrekening 2024. Gelet op het belang en mogelijk toekomstige impact van deze gebeurtenis, is in lijn met RJ 160 deze gebeurtenis toegelicht als gebeurtenis na balansdatum.